- home >
- doelgroepbeleid
Doelgroepbeleid Milieu en Industrie
Een nieuwe weg
Het Nederlandse Milieubeleid kreeg eind jaren tachtig vorm in de achtereenvolgende Nationale Milieubeleidsplannen (NMP's). De plannen wilden de belangrijkste milieuproblemen, aangeduid in acht thema’s (klimaatverandering, verzuring, vermesting, verdroging, verspilling, verspreiding, verwijdering en verstoring) aanpakken via een sectorale benadering. Een nieuwe benadering: het Doelgroepbeleid Milieu en Industrie, bood de industrie echter de speelruimte om binnen doelstellingen eigen keuzes te maken gericht op de verbetering van milieuprestaties.
Het zoeken en vinden van draagvlak bij het bedrijfsleven en andere maatschappelijke sectoren voor de integrale aanpak van de industriële vervuiling betekende een enorme wending in het overheidsbeleid. Tot dan toe werd de oplossing van industriële milieuproblemen vaak meer gezocht in de sfeer van regelgeving en sancties.
De doelgroep
Uit overwegingen van efficiëntie richt het doelgroepbeleid zich op de 20% van het bedrijfsleven die verantwoordelijk is voor 80% van de industriële milieubelasting. Dit leidde uiteindelijk tot een selectie van elf sectoren waarmee het overleg werd gestart om te komen tot intentieverklaringen (milieuconvenanten) per bedrijfstak.
In het doelgroepbeleid is voor de betrokken bedrijfstakken een vaste procedure gevolgd. Voor de gehele doelgroep industrie zijn, afgeleid van de NMP-doelstelling, integrale reductiedoelstellingen voor 2000 en 2010 vastgesteld. Vervolgens is per bedrijfstak hiervan een Integrale Milieudoelstelling (IMT) afgeleid. Deze IMT’s voor 2000 en 2010 zijn vastgelegd in de intentieverklaring (het convenant).
Met de ondertekening van een milieuconvenant hebben de brancheorganisaties een handtekening gezet onder de IMT voor de eigen bedrijfstak. Aan de overheidszijde hebben VROM, V&W, EZ, (LNV, SZW), IPO, VNG en Unie van Waterschappen convenanten ondertekend.
Relatie tot vergunningverlening
Individuele bedrijven en brancheorganisaties werken de gemaakte afspraken, al of niet aan de hand van werkboeken milieumaatregelen, verder uit in de bedrijfsmilieuplannen (BMP). Het BMP is in de basis een strategisch plan voor het milieubeleid van het bedrijf voor de komende vier jaar. Als de betrokken overheden instemmen met het plan vormt het een uitgangspunt bij het verlenen en handhaven van de milieuvergunning. Bij grote bedrijven is een BMP maatwerk. Bij convenanten met veel MKB-bedrijven is het BMP beperkt van opzet of is gekozen voor standaardpakket maatregelen.
Voortgang en overleg
Om een goede uitvoering van de afspraken te garanderen is per bedrijfstak een zogenaamd bedrijfstakoverleg ingesteld. In dit overleg werken de betrokken partijen van de zijde van de industrie en van de overheid samen.
In het bedrijfstakoverleg wordt de voortgang van de uitvoering van het convenant besproken. Naar mogelijke knelpunten in de uitvoering kunnen onderzoeken worden ingesteld. In opdracht van het bedrijfstakoverleg verzorgt FO-Industrie de voortgangsbewaking, de monitoring, communicatie en additionele (knelpunt-)onderzoeken.
In een aantal bedrijfstakken rapporteren de bedrijven jaarlijks over de uitvoering van hun BMP. Deze rapportages vormen de basis voor de monitoring van de emissiereducties op bedrijfstakniveau. In andere (in aantal bedrijven vaak omvangrijke) bedrijfstakken worden steekproefsgewijs onderzoeken uitgevoerd naar de emissiereducties.
Stand van zaken
Het doelgroepbeleid bevindt zich in de laatste fase van uitvoering. De bedrijven van diverse bedrijfstakken hebben hun laatste BMP opgesteld. De optelling van de, door de individuele bedrijven opgegeven, prognoses geeft aan dat het merendeel van de doelstellingen in 2010 wordt gerealiseerd. Monitoring van de voortgang moet duidelijk maken of de verwachting werkelijkheid wordt.
Tegelijkertijd zijn verkenningen gestart om te kijken of de samenwerking tussen overheid en industrie voor wat de milieuonderwerpen betreft ook na 2010 kan worden voortgezet. Daarbij zal zowel gekeken worden naar bestaande ontwikkelingen als nieuwe agendapunten. Ook wordt aandacht besteed aan welke vorm een toekomstige samenwerking moet krijgen.